Armatuur:

Behuizing waarin zich de lamp bevindt. Over het algemeen noemen we deze armatuur een theaterarmatuur. Bij specifiekere armaturen worden deze armaturen ook wel vernoemd naar hun gebruik, zoals horizonarmaturen en profielspots. Indien de gebruikte lamp een z.g. PAR lamp is noemen we deze behuizing een PAR armatuur.

 

Horizonverlichting:

Speciaal type armatuur om horizondoek te verlichten. De vormgeving van de reflector is zodanig dat deze in staat is om, hangend op een hoogte van 7-8 mtr., de horizon, van boven naar beneden, egaal te verlichten.

 

Lamp:

De lichtbron (bulb) in een armatuur. Voor theatergebruik kennen we halogeenlampen, gasontladingslampen en PAR lampen.

 

PAR lamp:

Specifiek soort lamp waarbij een halogeenlamp is omsloten door een glazen omhulsel. De achterzijde heeft een parabolische vorm en is reflecterend opgedampt. De voorzijde van dit omhulsel varieert van vlak en glad, tot bol en voorzien van lenzen. Dit wordt het strooiglas genoemd. Het strooiglas bepaalt de uitstralingshoek van de PAR lamp. PAR betekend: Parabolic Aluminized Reflector.

 

4-bar of four-bar

Samenstelling van een horizontale ligger met daaraan 4 armaturen gemonteerd. Veelal zijn de armaturen “vast” gemonteerd aan de bar. De bar is voorzien van een meerpolige aansluitstekker voor de lampspanning. Door middel van een kopstuk is deze bar eenvoudig te koppelen aan een statief.

 

6-bar of six-bar

Idem als 4 bar maar dan met 6 armaturen.

Vanwege het gewicht worden 6-barren minder toegepast op statieven.

 

Lichtstuurtafel:

Bedienpaneel met schuifregelaars die een signaal genereren tussen 0 en 100%. Een 6 kanalen stuurtafel genereert 6 afzonderlijke signalen. Een 12 kanalen tafel 12 enz. Het signaal kan worden aangesloten op een lichtdimmer, waardoor deze lichtdimmer een vermogen tussen 0% en 100% uitstuurt.  Het stuursignaal van een stuurtafel is analoog (0-10V) of digitaal ( DMX 512).

 

Dimmer:

Stroomverdeler die de 230 V spanning afgeeft in een traploos percentage tussen 0 en 100%. Een dimmer kan uit meerdere uitgangen bestaan die elk afzonderlijk een dimbara vermogen geven. Dimmeruitgangen worden ook wel kringen of dimmerkringen genoemd.

 

Kring:

De term kring wordt op twee manieren gebruikt. Elke afzonderlijke lichtstuurtafelfader noemen we een kring. Om onderscheid te maken of het een dimmer of stuurtafelkring betreft, is het beter om een stuurtafelkring kanaal te noemen.

Maar ook een dimmer heeft kringen. Elke uitgang van een dimmer wordt kring genoemd. Afhankelijk van het dimmervermogen kunt u één of meerdere lampen samenkoppelen op een dimmerkring. Een dimmerkring is het beste te vergelijken met een stroomgroep in uw woning: ook hier kunnen er meerdere lampen in een groep zitten.

 

Toneelvloer:

Vloer waarop gespeeld kan worden.

 

Toneeltoren:

De ruimte boven het toneel. Deze ruimte is bedoeld om decorstukken hangend aan een trek op te hijsen. Tijdens de voorstelling kunnen deze decorstukken beurtelings naar beneden worden gehaald. De toneeltoren wordt ook wel trekkentoren of kap genoemd. Een toneeltoren is tenminste twee maal zo hoog als de hoogte van het toneel.

 

Zijtoneel:

Ruimte naast het toneel. Hierop kunnen decorstukken klaargezet worden. Laden en lossen gebeurt in de regel ook via het zijtoneel.

 

Trek:

Buis of stang boven het toneel. Op regelmatige afstand van 25 cm hangen deze stangen, in de breedte, boven het toneel. Hieraan worden decorstukken of schijnwerpers gehangen. Een trek kan met de hand of een elektromotor worden bediend. We spreken dan van een handtrek of een electrische trek. Omdat de (mens)kracht die nodig is om een trek in beweging te zetten te hoog is om gezond genoemd te worden, zijn handtrekken niet meer toegestaan bij de inrichting van een nieuw theater. Bij een handtrek zal het ingehangen gewicht van de schijnwerpers of decor moeten worden gecompenseerd om een evenwicht te krijgen. Door middel van contragewichten wordt een trek precies in balans gebracht.

 

Kluit:

Contragewicht om een trek in evenwicht te brengen.

 

Portaaltoren:

Linker en rechter afscheiding van het toneel. De breedte van de toneelvloer wordt gemeten tussen de portaaltorens. Deze breedte is instelbaar doordat de torens kunnen schuiven. De portaaltorens worden ook wel manteaux genoemd. In de portaaltorens kunnen tevens schijnwerpers worden opgehangen.

 

Portaalbrug:

Brug boven het toneel om de toneelhoogte in te stellen. De portaalbrug is beweegbaar om de gewenste hoogte te kunnen instellen. De portaalbrug bestaat tegenwoordig uit meerdere etages waaraan schijnwerpers opgehangen kunnen worden.

 

Poot:

Een gordijn van 2 tot 3 meter breed. Hangend links en rechts aan de trekken. Poten, vijf, zes of meer per kant, zijn bedoeld om de inkijk vanuit de zaal naar de zijkant van het toneel te voorkomen.

Een poot is, afhankelijk van de toneelhoogte, ca. 8 tot 10 meter hoog.

 

Vak:

Een schot van ca. 1 mtr. x 3 mtr. hoog op een voetsteun. Meestal zwart bekleed. Een vak kan vergeleken worden met een poot. Het dient om de zichtlijnen naar de zijkanten van het toneel te voorkomen. Vakken worden gebruikt in die situaties waar het niet mogelijk is om een poot te gebruiken (omdat er geen trekken aanwezig zijn).

 

Fries:

Horizontaal hangend doek over de gehele breedte van een trek. Een fries dient ervoor om de doorkijk vanuit de zaal naar de bovenzijde van het toneel (de toneeltoren) te vermijden. Tevens wordt een fries gebruikt om de zichtlijn naar de opgehangen decorstukken of armaturen in de trekken te voorkomen. Een fries is ca. 3 tot 4 mtr. hoog en hangt over de gehele breedte van de trek.

 

Font:

Gordijn hangend over de gehele breedte van een trek met een hoogte van 8 tot 10 meter. Een font wordt gebruikt om doorkijk naar de achterzijde van het toneel te voorkomen.

 

Doek:

Veelal een gaasdoek, flaneldoek of katoen met daarop een beschildering. Ook wel decordoek genaamd.

 

Zijzwart:

Gordijn links en rechts, naastzij het toneel om inkijk naar het zijtoneel te vermijden.

 

Horizon:

Wit gaasdoek hangend aan één van de achterste trekken. Gaasdoek hangt strak, over de volle breedte van het toneel. Een horizondoek kan in diverse kleuren worden belicht d.m.v. horizonverlichting.

 

Zijbrug:

Loopbrug aan de zijkanten van het toneel, waaraan schijnwerpers hangen om zijlicht op het toneel te geven. Tevens dienen zijbruggen ervoor om de kluiten in de trekken te laden. Zijbruggen geven toegang tot de portaalbrug.

 

Zaalbrug:

Lichtbrug in de zaal om schijnwerpers aan te hangen om frontlicht te maken.

 

Vloerkringen:

Wandcontactdozen in de toneelvloer, die verbonden zijn met een dimmerkring.

 

Zaalkringen:

Wandcontactdozen rondom het toneel (in zaalbrug, zijbrug e.d.) die verbonden zijn met een dimmerkring.

 

Vaste spanning:

Wandcontactdozen rondom de toneelvloer met daarop een constante spanning van 230 V.